Wednesday, June 03, 1998

Culture Shock in Kathmandu Utne Reader, Oct 1998

This has been translated in the Dutch magazine ODE. It is archived here: De smaak van vroeger

Een westerse Nepalese vindt haar verleden terug in Kathmandu .

Sushma Joshi | 27 juli/augustus 1999 issue
Ik loop over de stoep langs de drukste straat in Kathmandu en zie hoe een vrouw met wit haar grote groene bladeren uit een mand haalt en op de grond legt. In mijn haastige tempo - meegenomen uit New York - zie ik ze haast niet liggen en dus moet ik er op het laatste moment overheen springen. 'O sorry, ik lette niet op,' zeg ik en loop al door als tot me doordringt hoe lomp ik net was. Ik loop terug. 'Waarvoor zijn die?' vraag ik.
'Vanwege de geboorte van een zoon,' legt ze stralend uit.
'Wat geweldig. Gefeliciteerd. En wat gaat u met dat eten doen?' vraag ik, omdat me nu opvalt dat er kleine porties voedsel op de bladeren liggen.
'Straks komen de kinderen, die nemen het mee,' licht ze toe.
Ik voel een plotselinge genegenheid voor deze blije grootmoeder, die het kennelijk niet is opgevallen dat haar woning nu is omgeven door een van de drukste straten van een enorme stad, waar de kinderen inmiddels punklaarzen en minirokjes dragen, en zouden blozen bij het idee om eten op een bladerbordje van het trottoir op te rapen.
'O,' zeg ik, en ik aarzel. Zou ik ook kunnen doorgaan voor een van haar fictieve kinderen, en zo'n blad mogen oppakken van de stoep?
'Je mag er wel een hebben,' zegt ze en reikt me er een blad aan, een tikje verlegen, alsof ze de ongerijmdheid beseft van iemand die midden op straat bladeren met eten staat uit te delen en daarbij hoopt dat de kinderen van vroeger ze zullen meenemen.
'Dank u wel, hoor.' Ze glimlacht bijna net zo dankbaar naar mij als ik naar haar, dankbaar dat ze tenminste één kind heeft kunnen vinden dat haar offerande wil aannemen.

Ik loop weg en kauw ondertussen op chiura en choela, geplette rijst en kruidig buffelvlees, kleine dotjes radijspasta en de meest uiteenlopende soorten bonen - het traditionele voedsel van de Newari-kaste. Het doet me denken aan wat ik at in mijn kinderjaren, ook al proefde ik het eten van de Newari pas toen ik zestien was en buffelvlees was in ons Brahmaanse gezin een verschrikking die tot elke prijs diende te worden gemeden, zodat ik het uitsluitend leerde kennen onder het dak van mijn Newari-vrienden. De smaak ervan kan alleen door oude handen tot leven worden gewekt. Ik kijk op van deze vingerwijzing dat er nog steeds mensen bestaan die zo kunnen koken. Mensen die een halve eeuw lang tweemaal daags twaalf mensen te eten hebben gegeven en soms wel vierhonderd tegelijk. De smaak rijst op, vermengd met een tijd en een plek die ik bijna was vergeten: lange herfstochtenden vervuld van gonzende libellen, wachten tot de moessonwolken van de bergen wegdrijven, wachten tot de guava's rijp zijn, wachten tot het seizoen met de feesten begint.

Passerende mensen staren eerst naar het blad in mijn hand, en dan naar mij. Ik kan onder het eten een glimlach niet onderdrukken. Had ik met evenveel genoegen dit blad van het trottoir opgepakt en het eten verorberd, als ik nooit uit dit land was vertrokken, nooit mijn herinneringen was kwijtgeraakt, nooit die band had doorgesneden met het ritueel, de mythe, de ceremonie? Nog niet zo lang geleden - toen ik ongeveer vijf jaar was - liep ik ook over straat, kauwend op halva, een smeuïg toetje, en bara, cake gemaakt van zwarte linzen, vanaf een bladerbordje dat voorschrift was bij de ontelbare rituelen en ceremonies van mijn grootmoeder. Hoe kon ik weigeren om mee te doen aan de viering van deze oude vrouw, ook al was het wegens de geboorte van een zoon? Hoe kon ik zeggen: 'Nee, niemand eet meer iets van de straat. Begrijpt u dan niet dat de wereld is veranderd, hebt u de filmpjes op televisie niet gezien die erop wijzen dat jongens en meisjes gelijk moeten worden behandeld, ziet u niet in dat vrouwen zoals u het leven van andere vrouwen tot een ellende hebben gemaakt, hebt u de mensen niet in hun mooie nieuwe auto zien rondrijden, mensen die niet geloven dat vrouwen zoals u nog onder de levenden zijn?'

Hoe kon ik weigeren mee te feesten? Niet alleen vanwege de geboorte van die zoon, maar ook het herleven van mijn eigen dode herinneringen, het terugwinnen van een verloren tijd en plek, toen de straten smaller waren en vriendelijker, toen vrouwen op grote groene bladeren eten neerlegden voor de kinderen. Hoe kon ik weigeren te vieren dat mijn eigen instinct voor feestelijkheid weer was teruggekeerd? Als ik nu nog steeds in Kathmandu woonde en probeerde het leven van een jonge vrouw te leiden, die geacht werd zich bescheiden op te stellen, een goede partij te trouwen en een zoon voort te brengen, had ik de vrouw misschien kwaad aangekeken terwijl ik voorbij liep. Maar onder deze omstandigheden kon ik het me veroorloven om mijn tradities en wat ze betekenen te vermengen en te verzoenen, zonder te moeten boeten voor de gevolgen. Ik kon me een vleugje nostalgie veroorloven, zoals het een nieuwbakken Amerikaanse betaamt.